15 februari 2006

MHP-commentaar op Miljoenennota 2006

Belofte aan middengroepen niet waargemaakt
Ondanks de aangekondigde maatregelen in de Miljoenennota zal de koopkracht van de Nederlander in deze kabinetsperiode niet of nauwelijks toenemen. Dat is toch iets anders als het kabinet ons bij zijn aantreden wilde doen geloven: "Eerst het zuur en dan het zoet." Het door čn het kabinetsbeleid čn de economische recessie tot een hoog gehalte opgebouwde zuur (de koopkracht bevindt zich thans op het niveau van het jaar 2000) zal door het 'zoetje' van enkele lastenverlichtingen niet worden weggewerkt.
Dit geldt des te meer voor de middengroepen, die in de achterliggende jaren op tal van terreinen de prijs van de bezuinigingen moesten betalen (kinderopvang, studiegeld, ziektekostenpremies, lokale lasten, hogere pensioen- en sociale premies, verhoging directe en indirecte belastingen etc.).

Volgens de MHP dreigen de middengroepen en hogere inkomenscategorieën er nog verder op achteruit te gaan als allerlei politieke voorstellen zouden worden overgenomen. Zo zijn er ideeën voor een verhoging van de inkomensgerelateerde ziektekostenpremie, het invoeren van een gemeentelijke inkomstenbelasting en het maximeren van de fiscale aftrekbaarheid van pensioenpremies. Het versnipperen van het draagkrachtbeginsel via de introductie van nieuwe inkomensprijzen vergroot de armoedeval en maakt het inkomensbeleid nog ondoorzichtiger. Volgens de MHP dient het draagkrachtbeginsel slechts op één plek tot uitdrukking te komen en dat is in het fiscale stelsel op het niveau van het rijk.

De aangekondigde lastenverlichtingen voor volgend jaar hebben globaal weliswaar een positief koopkrachteffect voor de middengroepen, maar bereiken nog steeds bepaalde categorieën onvoldoende. En dit betreft juist huishoudens, die tot de middengroepen en hogere inkomens behoren. Voor hen is het extra wrang, om na alle politieke beloftes voor de middengroepen, te moeten constateren dat zij nog verder moeten inleveren. De MHP dringt daarom aan op aanvullende koopkrachtmaatregelen voor deze huishoudens. Bovendien roept de MHP het kabinet en de coalitie op om werk te blijven maken van het herstel van de koopkracht voor de middengroepen en daarboven. Extra tegenvallers van de koopkracht, zoals hogere energiekosten, moeten volgens de MHP nu reeds worden gecompenseerd om de gemiddelde koopkracht ten opzichte van 2005 op peil te houden en om het consumentenvertrouwen positief te beďnvloeden. Als er geen compenserende maatregelen worden getroffen, zijn volgens de MHP hogere looneisen onontkoombaar. Ook gepensioneerden zullen compensatie willen via hun pensioen.

Sociaal-economische ontwikkelingen

Economisch herstel ondanks kabinetsbeleid

Na de magere jaren 2004 en 2005 lijkt het volgens de ramingen van het CPB volgend jaar weer iets beter te gaan met onze economie, een groei van 2,5%. Ten opzichte van de Verenigde Staten en Azië blijft dit een geringe groei. De belangrijkste verklaring voor de opleving in 2006 vormt de stijging van de export en een toename van de investeringen. De consumptie blijft al jarenlang achter en trekt in 2006 nog nauwelijks aan. Volgens de MHP zijn de consumptieve bestedingen achtergebleven als gevolg van loonmatiging in combinatie met lastenverzwaringen en gebrek aan vertrouwen, niet in de laatste plaats door het handelen van de politiek. Loonmatiging kon worden verdedigd uit een oogpunt van versterking van onze concurrentiepositie. Lastenverzwaringen en het scheppen van een crisissfeer door het kabinetsbeleid daarentegen niet. Juist in een tijd van economische teruggang is het volgens de MHP verstandig loonmatiging te flankeren met lastenverlichting en structurele maatregelen te nemen bij een gunstig economische ontwikkeling. Het kabinetsbeleid heeft de economische recessie vergroot. Er is procyclisch beleid gevoerd, terwijl anticyclisch beleid was geboden. Dit had volgens de MHP tot gevolg dat consumenten de hand nog meer op de knip hebben gehouden en hun vertrouwen in de toekomst onnodig somber is. Met de begroting voor 2006 lijkt het kabinet deze fouten te hebben ingezien en keert zij voorzichtig op haar annorexia-beleid terug.
De eerste conclusie van de MHP uit de begroting voor 2006 luidt dat de voorspelde verbetering van de economische groei in 2006 tot stand komt ondanks kabinetsbeleid. Een ander beleid had kunnen voorkomen dat we zo lang en zo diep in en economisch dal hebben verkeerd. Loonmatiging is niet de verdienste van de politiek maar van de sociale partners. De effecten van de recent genomen structurele maatregelen zijn nog niet zichtbaar en kunnen dan ook niet een verklaring zijn van de aangekondigde opleving, nog daargelaten dat de meeste van deze maatregelen uit de boezem van bijvoorbeeld de SER komen. Volgens de MHP had enige bescheidenheid het kabinet om die redenen gesierd.

Opwaartse druk looneisen en pensioenindexatie

De MHP bepleit een ruimer en ruimhartiger expansief beleid in 2006 ter ondersteuning van de koopkracht, mede in het belang van een voortgaande verantwoorde loonontwikkeling en het betaalbaar houden van pensioenen. Zo dient het kabinet volgens de MHP niet eerst op nieuwe cijfers te wachten om een einde te maken aan de onzekerheid als gevolg van een blijvend hogere olieprijs dan in de ramingen is aangenomen. Anders voorziet de MHP dat vanuit achterbannen en de aangesloten bonden de noodzaak tot hogere looneisen zal ontstaan. Mede logisch omdat de winstgevendheid en de vermogensverhoudingen binnen de bedrijven zijn verbeterd en de geraamde macro loonruimte 3,5% bedraagt. Ook voorziet de MHP dat gepensioneerden een compensatie zullen eisen via een hogere pensioenindexatie. Gezien de financiële positie van pensioenfondsen, kan dit alleen gerealiseerd worden door hogere werkgeversbijdragen aan de pensioenpremies of het introduceren van specifieke bijdrageregelingen. Het kabinet zou er volgens de MHP verstandig aan doen deze opwaartse druk op de loonkosten te voorkomen, door extra lastenverlichting in het bruto-nettotraject.

Herstel van het consumentenvertrouwen

Eén van de peilers voor economische groei, het consumentenvertrouwen, bevindt zich al een aantal jaren op een dieptepunt. Het vertrouwen herstelt zich nog steeds niet, en vormt daarom een rem op de economische groei. Hoewel de economische omstandigheden gunstiger zijn dan in de afgelopen paar jaar, ervaren de mensen nog steeds de nasleep van een economische recessie, die niet in de laatste plaats door het kabinetsbeleid is verergerd. De oproep van de MHP om de vraagkant van de economie, en daarmee de consumenten-bestedingen te vergroten, vindt eindelijk gehoor. De MHP weet zich hierin door steeds meer economen gesteund. De late reactie van dit kabinet heeft er toe geleid, dat het consumenten-vertrouwen zo diep is gedaald, dat het nu langer zal duren voordat de consumenten daadwerkelijk weer geld gaan uitgeven. De grootscheepse bezuinigingen van de afgelopen paar jaar hebben een crisissfeer veroorzaakt, die er toe heeft geleid dat de consument de hand op de knip houdt.

Lastenverlichting

Na vier jaar lijkt de economie weer langzaam uit een dal te kruipen. Maar dit is met name te danken aan de export van goederen en diensten, en dan vooral dankzij de wederuitvoer. De MHP pleit al enkele jaren om in het bijzonder de vraagkant van de economie te ondersteunen via lastenverlichting. Niet alleen om de koopkracht van burgers op peil te houden, maar ook om omstandigheden te creëren, waarbinnen een verantwoorde loonontwikkeling mogelijk blijft. De loonkosten kunnen hiermee binnen bepaalde grenzen gehouden worden en dit heeft positieve gevolgen voor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. Hoewel het kabinet volgens de MHP aan de late kant is met lastenverlichting, verdient het uiteraard wel ondersteuning, onder het motto 'beter te laat dan nooit'. Dat vooral ook gekeken is naar de middengroepen acht de vakcentrale niet meer dan logisch, aangezien zij met name de laatste jaren de zwaarste lasten hebben gedragen en daarmee de meeste koopkracht hebben ingeleverd. Het is van het grootste belang om het vertrouwen van consumenten weer terug te winnen. Gezien de economische crisis, de lastenverzwaringen in de achterliggende jaren en de grote stelselwijzigingen in sociale zekerheid, gezondheidszorg en pensioenen zal het consumentenvertrouwen niet van de één op de andere dag hersteld zijn. De MHP pleit er daarom voor investeringen in lastenverlichting niet te beperken tot dit jaar, maar om hiermee voort te gaan, zolang de economie niet ten volle aantrekt.

Geen grote stelselwijzigingen meer

De MHP roept het kabinet op om in de komende jaren geen grote stelselwijzigingen meer door te voeren om burgers de tijd te geven het vertrouwen terug te vinden. Dit geldt ook voor het oplaten van allerlei proefballonnetjes over bijvoorbeeld het ontslagrecht. Voor de middengroepen en de hogere inkomensklassen lijkt de toekomst het meest onzeker. Dat gevoel laat zich illustreren door vragen als:

  • Hoe gaat het met het wijziging van het ontslagrecht en de beperking van de ontslagvergoeding ?
  • Is er nog wel een adequate inkomensbescherming als er op enig moment werkloosheid optreedt ?
  • Bestaat er in de toekomst nog een studiebeurs voor kinderen, anders dan in de vorm van een lening ?
  • Hoe lang blijven de door dit kabinet vastgestelde kader voor pensioenopbouw bestaan ?
  • Is er straks nog wel een AOW vanaf een bepaald inkomen ?
  • Is de overheid nog wel te vertrouwen als het gaat om langlopende arrangementen, zoals bij het aangaan van hypotheken ?

Deze onzekerheden leiden tot vergroting van het spaargedrag, waardoor bestedingen worden uitgesteld. Het uitblijven van de vraag naar producten leidt uiteindelijk ook tot het uitblijven van de vraag naar arbeid. En wordt het Nederlandse klimaat voor buitenlandse en internationale bedrijven om zich hier te vestigen ook minder aantrekkelijk. Het op verantwoorde wijze implementeren van de recente stelselwijzigingen en een pas op de plaats met betrekking tot de introductie van nieuw beleid is meer dan welkom. Het past dan ook niet om nu reeds aan te kondigen dat het kabinet de ontslagvergoeding wenst te beperken.

Realistische ramingen

Omdat we uiteindelijk allemaal voor de consument werken, zal de economie pas weer op gang komen als de consument meer gaat uitgeven. De gevolgen voor de internationale economische ontwikkelingen als gevolg van de orkaan Katrina betekenen een extra onzekerheid voor de groei van de Nederlandse economie. De MHP vraagt zich af of de voorspelde economische groei van 2,5% niet aan de optimistische kant is. We moeten oppassen dat we niet van het ene negatieve uiterste naar het andere positieve uiterste doorschieten met voorspellingen. Dit roept ongeloof en wantrouwen op. Realistische ramingen zullen eerder het vertrouwen aan consumenten teruggeven, dan optimistische ramingen.

Nationaal Hervormingsplan

Gelijktijdig met de Miljoenennota presenteert het kabinet het zogeheten Nationale Hervormingsplan (NHP), waarin het kabinet laat zien op welke wijze Nederland invulling geeft aan de zogenaamde Lissabon-agenda van de Europese Unie. Het NHP legt nog in sterkere mate dan de Miljoenennota, de nadruk op structurele aanpassingen in de economie, zoals stelselwijzigingen in de sociale zekerheid. Versterking van de vraagkant van de economie en het herstel van het consumentenvertrouwen komen geheel in de verdrukking. Het bovenstaande commentaar op de algemeen sociaal-economische thema's is daarom onverminderd van toepassing op het Nationale Hervormingsplan. De MHP verwijst in dit kader ook naar het advies van de Stichting van de Arbeid, dat onlangs is uitgebracht.

Maatwerk in de loonontwikkeling

De afgelopen jaren zijn de bij de MHP aangesloten bonden ruim binnen de grenzen van een verantwoorde loonruimte gebleven. De arbeidsmarkt heeft een eigen dynamiek, die steeds meer onder invloed van het buitenland komt te staan. Ondanks loonmatiging van de afgelopen jaren verdwijnt werkgelegenheid naar het buitenland, zelfs in sectoren waarin forse winsten worden geboekt. Recente voorbeelden tonen dit nog eens aan. Het kabinet redeneert volgens de vakcentrale nog steeds teveel vanuit centrale kaders, ondanks dat de Miljoenennota volstaat met kreten als 'flexibiliteit', 'maatwerk' en 'eigen verantwoordelijkheid'. Van bovenaf opgelegde generieke maatregelen over de loonontwikkeling passen niet meer in deze tijd. De huidige arbeidsmarkt schreeuwt om maatwerk en nieuwe, creatieve oplossingen. Problemen op de arbeidsmarkt zijn van uiteenlopende aard en vragen daarom om gedifferentieerde oplossingen. Het kabinet moet voorkomen dat creatieve en innovatieve ideeën op de werkvloer teniet worden gedaan door starre regelgeving van bovenaf.

Koopkracht en inkomensontwikkeling

Middengroepen

De MHP bestrijdt de algemene stelling dat 'de middengroepen het meest profiteren van de lastenverlichting'. Het algemene beeld is dat de laagste inkomenscategorieën er komend jaar licht op vooruit gaan, de middengroepen en hogere inkomens in meerderheid er op vooruit gaan, maar dat er ook categorieën zijn uit de midden- en hogere inkomenscategorieën die ook komend jaar weer moeten inleveren. De MHP dringt aan op aanvullende koopkrachtmaatregelen voor deze groepen, mede gelet op de politieke beloftes die gedaan zijn voor de middengroepen.
De afgelopen drie jaar hebben de middengroepen het gelag van de bezuinigingen betaald en hebben ze gemiddeld 5% aan koopkracht ingeleverd. Voor huishoudens met kinderen was de reële inkomensachteruitgang nog groter, en is in veel gevallen het besteedbaar inkomen volledig uitgehold, mede omdat deze huishoudens buiten alle inkomensregelingen vallen. Voor veel huishoudens uit de middengroepen lijkt de in het vooruitzicht gestelde koopkrachtverbetering op de nieuwe kleding van de keizer. Zoals een welvarend land betaamt zijn de laagste inkomenscategorieën in die afgelopen periode zo goed als mogelijk ontzien.
De MHP acht het daarom alleszins redelijk om de lastenverlichting nu grotendeels aan de middeninkomens toe te delen.

Inkomensgevolgen nieuwe zorgstelsel

Het nieuwe zorgstelsel genereert forse premie-effecten. Het heeft volgend jaar verreweg de grootste impact op de koopkracht van huishoudens. Volgens de MHP heeft het kabinet de problematiek veel ingewikkelder gemaakt dan nodig was. Indien het SER-advies gevolgd zou zijn, was er een volledig nominale premie gekomen, waardoor reparatie van ziekenfondsverzekerden toereikend was geweest in de vorm van een fiscale zorgkorting. Door de gemengde premiestelling (deels inkomensafhankelijk, deels nominaal) zijn de koopkrachteffecten veel moeilijker te traceren en dreigen er nog steeds bepaalde categorieën op achteruit te gaan. Volgens berekeningen van de MHP gaat het onder meer om:

  • Tweeverdieners zonder kinderen, met een gezamenlijk inkomen dat hoger is dan €40.000. Dit geldt des te meer, indien één van de partners hoger opgeleid is en een deeltijdbaan heeft (door de omzetting van het maximumdagloon in een maximumjaarloon voor de premies sociale zekerheid, kan een extra tegenvaller ontstaan van een paar honderd euro);
  • Alleenstaanden zonder kinderen, met een inkomen hoger dan €35.000;
  • Gehuwd AOW-gerechtigden, die beiden een aanvullend pensioen hebben opgebouwd (met een gezamenlijk huishoudinkomen hoger dan €40.000);
  • AOW-gerechtigden, die nu nog een werkgeversbijdrage of een andersoortige tegemoetkoming voor de ziektekostenpremie ontvangen, maar voor wie die werkgeversbijdrage met ingang van 2006 komt te vervallen;
  • Alleenstaande vut- en prepensioengerechtigden, die geen werkgeversbijdrage ontvangen voor ziektekosten;
  • Nabestaanden met een aanvullend, bovenwettelijk nabestaandenpensioen;
  • Huishoudens met een gehandicapt of chronisch ziek gezinslid, met een huishoudinkomen hoger dan €54.000 (door de wijziging in de buitengewone lastenaftrek);
  • Studenten met een kleine bijbaan.

Voorzichtigheid geboden

De MHP waarschuwt voor te optimistische ramingen rond de koopkracht. In de afgelopen jaren hebben we gezien dat de ramingen omtrent ziektekostenpremies, lokale lasten en energieprijzen achteraf bezien steeds te laag waren. Ook nu dreigt dit het geval te zijn, getuige het lage inflatiecijfer waar het CPB vanuit gaat (1%). Recent zijn bijvoorbeeld ramingen gemaakt voor de energierekening voor huishoudens. Een gemiddeld huishouden gaat circa €300,00 meer betalen. Dit overstijgt ruimschoots de verlaging van de lokale lasten als gevolg van het afschaffen van het gebruikersdeel van de ozb. Per saldo betekent dit al een koopkrachtverslechtering van 0,6% bij een modaal inkomen. Om het inflatiecijfer van 1% te realiseren mogen zich verder dus nauwelijks prijsstijgingen voordoen.

Fiscale kilometervergoeding

De exorbitante stijging van de olieprijs op de wereldmarkt heeft direct economische effecten, zoals hogere aardgasbaten voor de overheid en duurdere producten voor de consument. Maar er is ook een direct effect voor werknemers. Zij moeten meer kosten maken om een inkomen te verwerven. Als zij deze (meer)kosten verhalen op de werkgever, wordt deze kostenvergoeding gerekend tot het inkomen. De MHP acht dit principieel onjuist: kosten die gemaakt worden om een inkomen te kunnen verwerven, behoren niet tot het loon en dienen buiten de loonbelasting te blijven. Bij de verlaging van de belastingvrije kilometervergoeding van € 0,27 naar € 0,18 per 1 januari 2004, was de argumentatie van het kabinet, dat alleen nog naar de variabele kilometerprijs gekeken zou worden. Indien het kabinet die zuinige redenering volhoudt, komt de fiscaal vrijgestelde kilometervergoeding, volgens berekeningen van de MHP, uit op € 0,22.

Collectieve sector

Omvang en kwaliteit collectieve sector

De ongenuanceerde en niet onderbouwde oproep van diverse politieke en semi-wetenschappelijke kopstukken om de omvang van de collectieve sector te verminderen met gebruikmaking van de kaasschaafmethode moet volgens de MHP krachtig worden tegengesproken. De MHP is de mening toegedaan dat een collectieve sector van hoge kwaliteit een cruciaal sociaal-economische randvoorwaarde vormt om groei te waarborgen. Vanuit deze visie is een ongenuanceerde inkrimping van de collectieve sector niet mogelijk. Het antwoord op de vraag of kwaliteit geleverd kan worden, bepaalt welke onderdelen van de collectieve sector moeten groeien en welke kunnen krimpen. Op dit moment lijkt het kabinet te veel op twee gedachtes te hinken. Enerzijds wenst het diverse taken af te stoten en over te laten aan de markt, anderzijds wil het vinger in de pap houden (zoals bij de dienstverlening en de beloning van het topmanagement van geprivatiseerde bedrijven). De MHP roept het kabinet op hierin duidelijke keuzes te maken.
Een structurele en kwalitatief goede dienstverlening door de collectieve sector valt of staat bij arbeidsvoorwaarden, die zich over de hele linie kunnen meten met die in de marktsector. Dat geldt voor het onderwijs en de gezondheidszorg, maar ook voor werknemers in de diverse bestuurslagen. Een gedifferentieerd beloningsbeleid zou hier iets aan kunnen doen.

Afschaffen ambtelijke status

De MHP wenst op te merken dat het afschaffen van de ambtelijke status van werknemers bij de overheid een verslechtering zou betekenen voor de rechtsbescherming van ambtenaren. Het eenzijdig afschaffen van die status - dat wil zeggen zonder dat hierover wordt gesproken met werknemersvertegenwoordigers en zonder dat hier iets tegenover staat - wijst de MHP van de hand. Ondanks het gegeven dat de overheid consequent blijft weigeren, met name voor de hogere ambtenaren, in materiële zin marktconforme arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren en werknemers in het bedrijfsleven toe te passen, lijkt men nu toch zonder enige verdere legitimatie het formele ambtenarenrecht eenzijdig te wijzigen. Bovendien wordt geen aandacht gegeven aan het feit dat de formele medezeggenschap niet conform is vanwege het primaat van de politiek. Tenslotte staat de vrijheid van meningsuiting, wederom specifiek voor de hogere ambtenaren en specifieke beroepsgroepen, in toenemende mate onder druk. Van een evenwichtige benadering is dus in de ogen van de MHP vooralsnog geen sprake. Het kabinet heeft aangekondigd over deze plannen nader overleg met betrokkenen te zullen voeren, alvorens een definitief standpunt in te nemen. De MHP meent dat het alleen zin heeft overleg te voeren, indien de uitkomst niet van tevoren vaststaat.

Nieuwe zorgstelsel

Fundamentele bezwaren

De MHP heeft nog steeds moeite met de vormgeving van het nieuwe zorgstelsel. Het gaat dan met name om:

  • De samenstelling van het pakket.
    Er is geen acceptatieplicht voor de aanvullende verzekering voor verzekeraars. Weliswaar zijn er voor de overgang van het nieuwe naar het oude stelsel afspraken met verzekeraars gemaakt om geen medische selectie toe te passen, maar als het stelsel eenmaal is ingevoerd gaat de tucht van de markt een rol spelen. De MHP vreest dat op termijn ouderen, chronisch zieken en gehandicapten moeilijker voor een aanvullende verzekering in aanmerking zullen komen.
  • De keuze voor de premiestelling.
    Volgens de MHP was het eenvoudiger geweest over te gaan op een volledige nominale premie, met een inkomensreparatie via fiscale weg voor de huidige ziekenfondsverzekerden. Op deze wijze zou het ziektekostenstelsel bovendien in één klap bevrijd zijn van inkomenspolitiek. Door de keuze om de helft van de totale kosten te financieren uit inkomensafhankelijke en de andere helft uit nominale premies, is de inkomensreparatie niet alleen buitengewoon complex geworden, maar blijft inkomenspolitiek elk jaar weer het stelsel beheersen.
  • De keuze van een verplichte inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage.
    De MHP betreurt het dat er gekozen is voor een verplichte werkgeversbijdrage, die bovendien inkomensafhankelijk is. Het was beter geweest de verantwoordelijkheid decentraal neer te leggen bij werkgevers en werknemers. Nu is de werkgeversbijdrage een arbeidsvoorwaarde, waar sociale partners geen enkele zeggenschap over hebben. Bovendien lijkt de verplichte werkgeversbijdrage te leiden tot hogere loonkosten. Dit geeft extra spanningen aan de CAO-tafel, en dat terwijl het arbeidsvoorwaardenoverleg toch al overbelast is met onderwerpen als gevolg van wetswijzigingen en verzoeken van het kabinet (kinderopvang, werkloosheid onder minderheden, jeugdwerkloosheid, vut-prepensioen-levensloop, arbeidsongeschiktheidsregelingen, tweede ziektejaar enzovoort).

Invoeringsproblemen

De MHP hoopt met het kabinet dat alle invoeringsproblemen op tijd kunnen worden voorkomen en dat de invoering zonder al te veel problemen zal gebeuren. Vanuit de eigen achterban (leden bij verzekeraars, zorginstellingen en de Belastingdienst) zijn signalen vernomen, waaruit blijkt dat de invoering van het nieuwe stelsel per 1 januari 2006 waarschijnlijk niet vlekkeloos zal verlopen, omdat de administratieve inrichting zeer complex is. De MHP doet een dringend beroep op het kabinet en de Tweede Kamer om niet alleen de overgang naar het nieuwe stelsel kritisch te volgen en eventueel bij te sturen, maar ook de fase daarna. Het gaat dan met name om eventuele problemen rondom de aanvullende verzekering en om mogelijke problemen aan de CAO-tafel.

Arbeidsongeschiktheidsregelingen

De MHP constateert dat het oorspronkelijke kabinetsvoorstel inzake arbeidsongeschiktheidsregelingen (WIA) in belangrijke mate zijn aangepast aan het SER-advies. Dit neemt niet weg dat er nog steeds een aantal onderdelen uit het wetsvoorstel op gespannen voet staan met het SER-advies. In het bijzonder gaat het om de uitvoering van de WGA, de loonaanvullingsregeling voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten en de flexibele keuring voor volledig arbeidsongeschikten. Het kabinet houdt bij de WGA vast aan een hybride uitvoeringsstructuur waarbij private actoren vanaf 2007 de nieuwe regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten voor een nader te bepalen duur mogen uitvoeren. De MHP blijft voorkeur geven aan een volledig private uitvoering.

Loonaanvullingsregeling

De MHP wijst op de complexiteit van de voorliggende wetgeving. Voor een deel wordt deze veroorzaakt door de gekozen uitvoeringsstructuur. De WGA wordt echter vooral ingewikkeld gemaakt door de loonaanvullingsregeling. De bepaling dat een werknemer minimaal 50% moet verdienen van de theoretische verdiencapaciteit die voor hem is vastgesteld, om in aanmerking te komen voor een loonaanvulling, is hiervan de oorzaak. De MHP meent dat deze bepaling vereenvoudigd kan worden door alsnog te kiezen voor het eerdere SER-voorstel teneinde ook de uitvoering van de regeling te vergemakkelijken.Uitgangspunt daarbij is dat reďntegratie moet lonen en dat is precies de prikkel die gezocht werd vanuit de activeringsdoelstelling. Bovendien is uit recent onderzoek toch weer gebleken, dat gedeeltelijk arbeidsgeschikten vaker werkloos zijn dan volledig arbeidsgeschikte werknemers. Gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers zonder baan worden op die manier gestraft voor het kieskeurige aannamebeleid van veel werkgevers.
Belangrijker is nog wel dat het stellen van de voorwaarde "minstens 50% werken" voor het recht op loonsuppletie in veel gevallen zal leiden tot een forse inkomensterugval, met name voor de middengroepen en hogere inkomenscategorieën. De omvang van de terugval tot het sociaal minimum is voor hen immers het grootst.

Flexibele keuring duurzaam volledig arbeidsongeschikten

Het is van belang dat er aan het begin van de periode van loondoorbetaling bij ziekte snel helderheid komt voor werkgever en werknemer in de situatie waarbij sprake lijkt te zijn van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het kabinet heeft een 'flexibele keuring' mogelijk gemaakt na zes maanden. De MHP blijft echter van mening dat een periode van zes maanden te lang is. De loondoorbetaling is immers gericht op werkhervatting, terwijl dat in die situatie feitelijk uitgesloten is. Een periode van drie maanden ligt dan meer voor de hand, mede gezien de tijd die het UWV nodig zal hebben voor de keuring.

Herkeuringen

Tot slot wenst de MHP nog uitdrukkelijk de ongewenste effecten van de herkeuringen aan te geven. Wat door sommigen wordt bejubeld als 'het succes van de herkeuringen', wordt vaak door de betrokkenen zelf ervaren als een 'drama van de bureaucratie'. Formeel worden de huidige WAO-ers buiten het nieuwe stelsel gehouden. In het SER-advies was dat een hoofdlijn, omdat het nieuwe stelsel gericht is op het bieden van kansen op reďntegratie aan mensen die nog in dienst zijn van een werkgever, gekoppeld aan een strikt toelatingsregime voor de inkomensverzekering. Daarom blijft de MHP moeite hebben met het nieuwe keuringsregime voor de huidig WAO-gerechtigden die na 1 juli 1954 geboren zijn. De MHP doet daarom een dringend beroep op iedereen die betrokken is bij de evaluatie, om niet alleen te kijken naar de koele cijfers, maar ook naar de individuele gevolgen van de huidige keuringspraktijk.

Fiscale regelgeving Vut, prepensioen en levensloop

De MHP constateert dat het kabinet aan de door de Stichting van de Arbeid aangedragen bezwaren omtrent de fiscale wetgeving van het zogenaamde VPL-dossier voor een groot deel tegemoet is gekomen. Dat neemt niet weg dat er nog steeds een aantal fiscale paragrafen zijn, die ver strekkende gevolgen kunnen hebben. In het bijzonder gaat het om de pensioenopbouw in en na het tweede ziektejaar en het besluit omtrent de ontslagvergoedingen.
De MHP juicht het toe dat ervoor gekozen is het jaar 2006 te gebruiken als een overgangsjaar, teneinde CAO-onderhandelaars, pensioenfondsen en verzekeraars in staat te stellen de regelingen 'VPL-proof' te maken. De vakcentrale pleit er in dit verband voor de betreffende overgangsbepalingen vooral eenvoudig toepasbaar te maken.

Pensioenopbouw tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid

De MHP constateert dat nog steeds onduidelijkheid bestaat over de fiscaal toegestane pensioenopbouw na de ziektewetperiode. Indien sociale partners - afgezien van nadere mogelijkheden bij aanvullende afspraken over reďntegratie-inspanningen - een percentage van 70% van het laatstverdiende loon hanteren, dreigt de toegestane pensioenopbouw fors terug te vallen. Zoals het nu gelezen kan worden, is in dergelijke situaties nog maar een pensioenopbouw over 70% van het oorspronkelijke loon toegestaan. Het eventuele nabestaandenpensioen wordt hierdoor ook met 30% 'gekort'. Bij een oorspronkelijk nabestaandenpensioen van 50% van het loon wordt dat dan verlaagd tot 35% van het loon. De MHP gaat er zonder meer van uit dat dit een omissie is, en acht het niet meer dan normaal dat bedoeld wordt 70% van het oorspronkelijke loon van voor de ziektewetperiode.

Ontslagvergoedingen oudere werknemers

Het belastingbesluit van staatssecretaris Wijn van 26 mei jl. heeft tot veel ophef geleid. Niemand van 55 jaar en ouder dreigde nog in aanmerking te komen voor een ontslagvergoeding, tenzij door de betrokken werknemer en diens werkgever partijen een forse boete werd geaccepteerd. Inmiddels is een kwalitatieve toets in het besluit ingebouwd. Deze toets gaat vooraf aan de kwantitatieve toets, waarin bepaald wordt of er sprake is van een vut-vervangende uitkering. In ieder geval is volgens de kwalitatieve toets hiervan geen sprake, indien er een sociale regeling voor collectief ontslag of een individuele regeling bij disfunctioneren wordt getroffen. Dat neemt niet weg, dat in het geval van individueel ontslag onduidelijkheid kan blijven bestaan over het oordeel van de belastingdienst, indien het veel oudere werknemers betreft. De regeling is volgens de MHP complex en kan verstorend werken op de flexibiliteit van de arbeidsmarkt.

WW-advies van de SER

De MHP constateert met instemming dat het kabinet de hoofdlijnen van het SER-advies over de toekomstige WW overneemt, waardoor ingrijpende maatregelen die het kabinet eerst wilde invoeren niet doorgaan. Het volgen van het SER-advies geldt in ieder geval voor de vormgeving van de WW. Over de financiering van de toekomstige WW komt het kabinet nog te praten met sociale partners in het Najaarsoverleg. Oplettendheid bij de behandeling van het komende wetsvoorstel is nog wel geboden. Het SER-advies zal bestendig gevolgd moeten worden.

Sollicitatieplicht en IOAW

De MHP wil echter een dringend beroep op het kabinet doen om ten aanzien van de sollicitatieplicht voor werklozen, het voorstel om het UWV de bevoegdheid tot individuele ontheffing te geven, met voorrang in te voeren. De huidige sollicitatieplicht leidt tot veel frustraties, vooral bij oudere werklozen, en tot onnodige administratieve lastendruk bij het UWV. Ook pleit de MHP ervoor om voor iedereen die een IOAW-uitkering (voor werklozen van 50 jaar en ouder) ontvangt, een gelijke vermogensvrijstelling te hanteren en geen onderscheid te maken tussen mensen boven de 55 jaar en mensen tussen 50 en 55 jaar. Concreet gaat het de MHP om een totale vermogensvrijstelling en niet alleen om een vrijstelling in verband met het eigen huis.

Investeringen in onderwijs

Blijvend investeren

De MHP onderschrijft met het kabinet de voortdurende noodzaak om te investeren in het onderwijs. Een hoog opgeleide beroepsbevolking is essentieel om als kenniseconomisch land de toekomst in te gaan. Dit begint bij de toetreding tot de arbeidsmarkt. Het voorkomen van vroegtijdige schooluitval en het realiseren van een goede startkwalificatie, die nauw aansluit op de vraag van de arbeidsmarkt, zijn de eerste vereisten. Vervolgens gaat het om de permanente educatie van de beroepsbevolking, en niet alleen voor de onderkant van de arbeidsmarkt. Het meegroeien met technologische en economische veranderingen vereist nu eenmaal het op peil houden en brengen van kennis gedurende de hele loopbaan van mensen. De innovatieve kracht binnen ondernemingen zit met name bij het middenkader. Zij zijn in het algemeen de initiators voor verdere implementatie binnen de onderneming.

De MHP is daarom blij dat dit kabinet extra geld uittrekt voor het onderwijs. Tegelijkertijd betekent dit niet dat het kabinet in volgende jaren achterover moet leunen. De verantwoordelijkheid van de overheid is vooral gelegen bij de startkwalificatie.

Financiële toegangsdrempel verlagen

Investeren in de kwaliteit van het onderwijs is één, maar ook moet er geďnvesteerd worden in de toegang tot het onderwijs. Het afschaffen van het schoolgeld voor 16- en 17 jarigen is daar een voorbeeld van. De MHP pleit er echter voor om school- en collegegeld in de komende jaren stapsgewijs te verlagen en nog eens kritisch te kijken naar het niveau van de studiebeurzen. Volgens de MHP wordt het voor studenten met de dag moeilijker om rond te komen met een studiebeurs. We moeten er voor waken dat jongeren een verkeerde keuze maken, omdat op korte termijn werken aantrekkelijker lijkt. Op de langere termijn heeft dit een averechts effect, zowel voor de betrokkenen zelf als voor de samenleving als geheel.

Medezeggenschap

Collectieve ziektekostencontracten

De behandeling van het wetsvoorstel Wet medezeggenschap werknemers (WMW) is voorlopig opgeschort. Hoewel de MHP niet alle onderdelen uit het wetsvoorstel onderschrijft, betekent dit niet dat er geen voortgang gemaakt moet worden op het beleidsterrein medezeggenschap. Het nieuwe zorgstelsel vergt een spoedige besluitvorming. De MHP wil een oproep doen om in ieder geval artikel 27 en artikel 35c van de Wet op de ondernemingsraden (artikel 6:25 en artikel 6:29 van de Wet medezeggenschap werknemers) aan te passen, waarin het instemmingsrecht wordt geregeld. Het nieuwe zorgstelsel biedt nieuwe kansen voor een integrale benadering van sociale zekerheid en gezondheidszorg binnen ondernemingen en andere organisaties. Gezien het verband tussen arbozorg en gezondheidszorg ligt het voor de hand ondernemingsraden en personeelsvertegenwoordigers ook instemmingsrecht te geven in het kader van collectieve contracten die worden afgesloten tussen werkgevers en ziektekostenverzekeraars. Nu al deze contracten vernieuwd moeten worden, is snelle besluitvorming hierover gewenst.

Arbeidsomstandigheden

Meer maatwerk

Met instemming neemt de MHP er kennis van dat het kabinet het SER-advies over een andere opzet van de arbo-wetgeving overneemt. Wel moet dit nog landen in acceptabele wetsvoorstellen. Daarbij zijn in ieder geval de volgende aandachtspunten van belang.
De SER bepleit dat de overheid een verantwoord beschermingsniveau voor werknemers vaststelt, terwijl werkgevers en werknemers samen beslissen hoe ze dat in de praktijk bereiken. Dit biedt volgens de MHP meer ruimte om maatwerk in het arbeidsomstandighedenbeleid toe te passen en om sectoraal of binnen grotere ondernemingen afzonderlijk een ketenbenadering tot stand te brengen die loopt van het regelen van preventie tot en met het regelen van inkomensbescherming. Maar dan moet de overheid wel voor álle relevante gezondheidskundige risico's het verantwoorde beschermingsniveau wettelijk vastleggen, dus ook voor die relevante gezondheidskundige risico's die op dit moment niet concreet vanuit Europa zijn voorgeschreven. Ook binnen Europa zou dit moeten gebeuren, volgens het SER-advies. Voor het handhaven van dan daarbuiten nog bestaande zuiver nationale bepalingen moeten zeer serieuze redenen bestaan.
De concrete invulling van het voorgeschreven beschermingsniveau door werkgevers en werknemers is ermee gediend indien per sector een handleiding samen gesteld wordt met daarin afspraken en adviezen waaruit blijkt hoe het voorgeschreven beschermingsniveau daadwerkelijk kan worden bereikt, een zogeheten arbocatalogus. De MHP pleit er voor om daarbij goed in de gaten te houden of deze arbocatalogi daadwerkelijk tot stand komen en in te grijpen waar dit niet gebeurt en waar werkgevers ook niet op andere wijzen komen tot een concrete invulling van het voorgeschreven beschermingsniveau. Het is immers de taak van Arbeidsinspectie om te controleren of het beschermingsniveau ligt binnen de wettelijke kaders die de overheid heeft vastgesteld. Om sociale partners in staat te stellen daadwerkelijk tot arbocatalogi op sectorniveau te kunnen komen, bepleit de MHP ondersteuning vanuit het kabinet door op centraal niveau faciliteiten beschikbaar te stellen aan sociale partners waarmee zij hun leden op sectorniveau behulpzaam kunnen zijn.

Gevaarlijke stoffen

Ook bepleit de MHP overname van het SER-advies inzake de vernieuwing van het grenswaardenstelsel van gevaarlijke stoffen op de werkplek. De SER adviseert andere criteria om vast te kunnen stellen voor welke stoffen publieke grenswaarden nodig blijven dan het kabinet wenst. Speciale aandacht is nodig voor dit punt.

Arbeidstijden

Gevolgen Europees arrest

Om de gevolgen van het Europees arrest dat bepaalt dat wachtdiensten als werktijd gerekend moeten worden op te kunnen vangen, wenst de minister van SZW gebruik te gaan maken van de zogenaamde opting-outclausule, die onderdeel vormt van de Europese arbeidstijdenrichtlijn. Deze opting-outclausule houdt in dat werknemers, die daarmee in hun individuele arbeidsovereenkomst akkoord gaan, veel langere werktijden moeten accepteren dan hun collega's die wel door de standaardwetgeving worden beschermd. Het nadeel van deze constructie is niet alleen de blijvende legitimering van de bestaande praktijk, maar ook de mogelijkheid om veel meer echte werkdiensten achter elkaar te roosteren dan nu kan. Dit is slecht voor de veiligheid en gezondheid van de betrokken werknemers én slecht voor de veiligheid en gezondheid van degenen die van deze werknemers afhankelijk zijn, zoals patiënten in de zorg. Bovendien wordt standaardwetgeving hiermee in feite ondergraven, waardoor de deur wordt opengezet voor concurrentie op arbeidstijden. Individuele werknemers hebben immers geen positie tegenover de werkgever die van deze constructie gebruik wil maken. De MHP dringt daarom aan op een parlementair debat waarin deze ministeriële wens om het feitelijk gebruik mogelijk te maken van de opting-outclausule wordt geweigerd.

Uitbreiding werkingssfeer

Bovendien wijst de MHP nog eens nadrukkelijk op het advies van de SER om de werkingssfeer van de arbeidstijdenwetgeving uit te breiden. De SER stelt vast dat bepaalde categorieën werknemers nu - al dan niet gedeeltelijk - zijn uitgesloten van het toepassingsbereik van de arbeidstijdenwet. Zo is een deel van de regels niet van toepassing op leidinggevenden die ten minste tweemaal het minimumloon verdienen, en op uitvoerend personeel dat ten minste driemaal het minimumloon verdient voor zover zij geen risicovolle arbeid of nachtarbeid verrichten. De SER bepleit de regeling voor beide groepen gelijk te trekken. Daartoe zou voor beide groepen een loongrens van driemaal het minimumloon moeten gelden, waarbij deze loongrens bij deeltijdarbeid naar rato wordt toegepast. Daarnaast zou de uitzondering voor leidinggevenden boven deze inkomensgrens niet mogen gelden voor zover zij risicovolle of nachtarbeid verrichten. Met de aldus te realiseren gelijktrekking van de regeling voor leidinggevend en hoger personeel wordt deze regeling eenvoudiger en worden voltijders en deeltijders gelijk behandeld.

Kinderopvang

Wegnemen gevolgen nieuwe wetgeving

Uiteraard staat de MHP niet negatief ten opzichte van investeringen in de kinderopvang. De nieuwe wet kinderopvang heeft met name bij de middengroepen en de inkomenscategorie daarboven geleid tot een forse kostenverhoging. Dit heeft ouders aangezet tot het zoeken naar alternatieven. Veelal is gekozen voor de informele kinderopvang (bijvoorbeeld door een beroep te doen op grootouders) en in het uiterste geval zelfs tot de keuze van één van de partners om te stoppen met werken. Voor anderen is de drempel om op zoek te gaan naar werk of om het aantal arbeidsuren uit te breiden aanzienlijk verhoogd. De bij de MHP aangesloten organisaties zullen zich blijven inzetten om aan de CAO-tafels regelingen met werkgevers af te spreken. Dit betekent echter niet dat de verantwoordelijkheid volledig bij sociale partners moet worden neergelegd. De overheid creëert de (financiële) randvoorwaarden voor de toegang tot de kinderopvang. Met de nieuwe wet is de situatie voor middengroepen en hogere inkomenscategorieën nog verder verslechterd, omdat de progressie van de kosten nog groter is geworden, naar gelang het inkomen stijgt. Op die manier wordt het uitbreiden van het totaal aantal arbeidsuren van twee partners of van alleenstaanden afgestraft. Hetzelfde geldt voor een werknemer die zijn of haar kennis en vaardigheden vergroot en daarmee carričre maakt. De MHP doet daarom en oproep om de armoedeval in de overheidsbijdrage verder terug te dringen.

Opvang in het basisonderwijs

Daarnaast pleit de MHP ervoor om naar analogie van het buitenland het basisonderwijs anders in te richten. In Nederland wordt bijvoorbeeld het overblijven over gelaten aan de vrijwillige inzet van ouders, terwijl in het buitenland dit veelal een integraal onderdeel uitmaakt van het onderwijssysteem. Kortom: de investeringen in de kinderopvang is een stap in de goede richting, maar is volstrekt onvoldoende om voortaan achterover te leunen.