23 februari 2006

Informatie voor kaderleden l Nummer 2, 2006

De vakcentrale MHP wil verbetering van de koopkracht van grote groepen huishoudens met een inkomen tussen één en ruim twee keer modaal. Dit staat in het Zwartboek koopkrachteffecten 2006 dat de vakcentrale woensdagmiddag 22 februari in Den Haag heeft gepubliceerd en overhandigd aan minister Hoogervorst van VWS.
In dit zwartboek zegt de vakcentrale, samen met de aangesloten organisaties, concreet aan te tonen welke groepen er op achteruit zijn gegaan in 2006. De MHP-organisaties UOV/De Unie, CMHF, VNV en BBV zijn door enkele duizenden verontruste leden benaderd over hun inkomensachteruitgang. De onderbouwing wordt volgens de MHP in het zwartboek geleverd aan de hand van voorbeelden met concrete loonstrookjes, pensioenopgaven, uitkeringsstrookjes en polisbladen.
De MHP stelt in het zwartboek dat de middengroepen in de afgelopen jaren al relatief veel hebben moeten inleveren en dat er geen goede verklaring is waarom zij – als gevolg van een nieuw ziektekostenstelsel – opnieuw een koopkrachtdaling moeten accepteren. De MHP noemt het niet uit te leggen dat juist zij in sommige gevallen – zoals blijkt uit de voorbeelden in het zwartboek – 5% moeten inleveren.
De MHP heeft aan de hand van de ontvangen gegevens circa tien groepen van huishoudens met een aanzienlijke koopkrachtdaling onderzocht. In het zwartboek staat vermeld hoeveel leden concrete gegevens over hun eigen situatie hebben geleverd. Het werkelijk aantal mensen dat heeft gereageerd, is hier een veelvoud van. Niet allemaal hebben zij kopieën met inkomens- en premiegegevens ingezonden. Per categorie is tevens de spreiding aangegeven van de koopkrachtmutaties, die zijn waargenomen. Deze zijn gecheckt aan de hand van de ingezonden gegevens. Inkomensdeskundigen van de MHP en de MHP-bonden hebben de inkomenseffecten geschoond voor bijzondere mutaties. Zo is onder meer rekening gehouden met wijzigingen in de inkomstenbelasting, die niet via de voorheffing van de loonbelasting verlopen en met de afschaffing van het OZB-gebruikersdeel, dat door het kabinet als lastenverlichting is ingeboekt. Daarnaast is rekening gehouden met een verwachte inflatie van 1%.

Voorbeelden
Hieronder volgen enkele voorbeelden uit het zwartboek:

  • Alleenstaande werknemer met een bruto-jaarinkomen van 36.670 euro. De koopkrachtdaling komt uit op -4,9%.
  • Tweeverdieners, beiden 54 jaar, geen kinderen. Het jaarinkomen bedraagt: 37.500 euro. De koopkrachtdaling komt uit op -0,9%.
  • Gepensioneerd weduwnaar, 67 jaar. Bruto jaarinkomen: 27.500 euro. Koopkrachtdaling: -4,1%.
  • Gehuwd echtpaar, beiden AOW. Jaarinkomen: 35.250 euro. Koopkrachtdaling: -1,2 %.
  • Gehuwd echtpaar, man met prepensioen. Jaarinkomen: 49.000 euro. Vermindering koopkracht: 3,3%.
  • Gehuwd echtpaar, werkloos. Jaarinkomen: 28.000 euro. Koopkrachtdaling: -5,1%.
  • Alleenstaand rijksambtenaar. Jaarinkomen: 30.000 euro. Koopkrachtdaling: -3,0%.
  • Gehuwd ambtenaar, 44 jaar, met studerend kind. Jaarinkomen: 73.250 euro. Koopkrachtdaling:
    -1,4%.
  • Gehuwd echtpaar (vrouw onderwijzeres) met kind van 14 jaar, man huisman. Jaarinkomen: 43.500 euro. Koopkrachtdaling: -0,9%.
  • Gehuwd echtpaar, beiden AOW, 35.000 euro. Koopkrachtdaling: -4,4%.
  • Gehuwd echtpaar, beiden arbeidsongeschikt, drie jonge kinderen. Jaarinkomen: 42.500 euro. Koopkrachtdaling: -2,2%.

De MHP herinnert in het zwartboek het kabinet aan de toezegging om schrijnende gevallen te repareren. Daarom stelt de vakcentrale een aantal compensatiemaatregelen voor. Allereerst denkt de vakcentrale aan een aanvullende arbeidskorting voor alleenstaanden zonder jonge kinderen. De MHP pleit er verder voor de zorgtoeslag voor AOW-gerechtigden uit te breiden. De ziektekostenregelingen voor (voormalig) onderwijzend personeel en rijkspersoneel moeten worden hersteld. Volgens de MHP heeft de overheid als werkgever de eigen werknemers met een inkomen tussen 1x en 2,5x modaal opgezadeld met een koopkrachteruitgang. De MHP wil vervolgens een afkoopsom voor particulier verzekerden, die (gedeeltelijk) waren vrijgesteld van premiebetaling. Er moeten dus afspraken komen met die verzekeraars, bij wie arbeidsongeschikte verzekerden een (gedeeltelijke) premievrijstelling hadden. De MHP pleit tevens voor herstel van de maximum drempel voor de buitengewone lastenaftrek. De huidige maatregel treft vooral die huishoudens met een chronisch of gehandicapt gezinslid.
Ook vindt de MHP dat er een overgangsmaatregel moet komen bij het premieplichtig inkomen, zoals de nieuwe ziektekostenverzekeringswet aangeeft. In het verleden heeft men, bij het afsluiten van bijvoorbeeld een lijfrente- of aanvullende nabestaandenpolis, geen rekening kunnen houden met het feit dat extra premie moet worden betaald over de uitkering. De overgangsmaatregel moet vergelijkbaar zijn met de overgangsmaatregel die is toegepast bij de alimentatie-uitkering. Het komt er dus op neer dat inkomsten vanuit vóór 2006 afgesloten contracten worden vrijgesteld van het premieplichtig inkomen.
De MHP heeft voor een aantal categorieën geen kant-en-klare oplossingen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om (voormalige) werknemers in de marktsector, die door de terugval van de werkgeversbijdrage een inkomensachteruitgang hebben. Een andere groepering waarvoor een specifieke maatregel vroeg te bedenken is, zijn vroeggepensioneerden met een bruto jaarinkomen van 40.000 euro. Ook denkt de MHP aan Nederlanders die in het buitenland wonen en – om gebruik te maken van Nederlandse zorg – extra verzekeringen moeten afsluiten. Oplossingen moeten hier, zo meent de MHP, vooral worden gezocht in afspraken met autoriteiten in het buitenland.
Het zwartboek is hier te downloaden.

Werkgroep Gelijke Beloning, dat werkt!

Op 26 januari jl. is de ‘Werkgroep Gelijke Beloning, dat werkt!’ geïnstalleerd door minister De Geus van Sociale Zaken. De werkgroep heeft de opdracht gekregen een bijdrage te leveren om onterechte beloningsverschillen tussen man en vrouw, autochtoon en allochtoon, parttimer en fulltimer weg te werken.
De Werkgroep Gelijke beloning, dat werkt!, bestaat uit vertegenwoordigers van de vakbeweging en de werkgeversorganisaties. Daarnaast zijn in de werkgroep de organisatie van personeelsmanagers NVP, de Nederlandse vereniging voor medezeggenschap en de Commissie Gelijke Behandeling vertegenwoordigd. Namens de MHP heeft Eddy Haket zitting in deze werkgroep. De werkgroep heeft een eigen website, die te vinden is op www.gelijkloon.nl.

RWI pleit voor ‘witten’ huishoudelijk werk

De Raad voor Werk en Inkomen (RWI), waarin werkgevers, werknemers en gemeenten vertegenwoordigd zijn en dus ook de MHP, wil huishoudelijk werk door derden ‘witten’. Met een verdere ontwikkeling van een markt voor persoonlijke dienstverlening tot gevolg. Daardoor kan de werkgelegenheid voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt toenemen. Maar ook - vooral - hoger opgeleide vrouwen kunnen door uitbesteding van huishoudelijke taken makkelijker gaan werken of hun huidige baan uitbreiden. In zijn advies, dat op 26 januari jongstleden aan de Tweede Kamer is aangeboden, stelt de RWI een duaal fiscaal stelsel voor. De gedefiscaliseerde optie is belasting- en premievrij. In de gefiscaliseerde optie is wel sprake van belastingafdracht en opbouw van sociale zekerheidsrechten, maar zijn de kosten van het inhuren van persoonlijke diensten fiscaal aftrekbaar. Zo is er ruimte voor bijvoorbeeld thuiszorginstellingen en uitzendbureaus om tegen een concurrerend tarief diensten aan te bieden op deze markt. Opdrachtgever en –nemer maken samen de keus voor een van deze opties. Ter voorkoming van fraude zou de opdrachtgever verplicht moeten worden om één keer per jaar aan de belastingdienst op te geven welke beloning hij aan persoonlijke dienstverleners heeft betaald.

Open grenzen? We openen het debat !

1 mei 2006: de huidige overgangsbepalingen met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten van de Europese Unie lopen af. Gaan de grenzen dan open ? En zo ja, onder welke voorwaarden ? Ons standpunt: de overgangsbepalingen moeten worden afgeschaft in combinatie met twee maatregelen, namelijk betere samenwerking tussen overheid en sociale partners bij de handhaving van CAO-bepalingen voor iedereen en uitbreiding van de capaciteit van de Arbeidsinspectie om illegale arbeid tegen te gaan.
Het kabinet heeft aan de Tweede Kamer toegezegd voor 1 april een standpunt in te zullen nemen. Maar nu al zijn werkgevers en werknemers in debat met het kabinet. Daarbij kunt ook ú uw stem laten horen. Bent u het eens met ons standpunt ? Of niet ? Stuur een e-mail naar
info@vc-mhp.nl! Hieronder vindt u meer achtergrondinformatie, ook over de redenen voor ons standpunt.

De Nederlandse situatie nu
In Nederland mogen momenteel jaarlijks maximaal 22.000 werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten aan de slag, en alleen op moeilijk vervulbare vacatures. Deze overgangsregeling geldt vanaf 1 mei 2004, het moment waarop de Europese Unie tot 25 lidstaten werd uitgebreid. De “oude” EU-lidstaten mogen vanaf 1 mei 2006 voor nog eens drie jaar beperkingen instellen, en per 1 mei 2009 voor nog eens twee jaar. Daarna mogen geen beperkingen meer worden ingesteld. Ooit gaan de grenzen dus helemaal open. De vraag is alleen: wanneer ?
Momenteel gelden in drie landen geen beperkingen voor werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten: Groot-Brittannië, Ierland en Zweden.

Feiten en cijfers
Onderzoek, in opdracht van het kabinet verricht door onderzoeksbureau Ecorys, laat zien dat er in 2005 zo’n 30.000 tewerkstellingsvergunningen zijn verleend aan werknemers uit de nieuwe lidstaten. De onderzoekers verwachten dat als de overgangsbepalingen blijven gehandhaafd het aantal tewerkstellingsvergunningen in 2006 niet sterk zal veranderen. Gaan de grenzen open, dan komt de waarschijnlijke bruto arbeidsmigratie in 2006 uit tussen de 53.000 en 63.000 personen, waarvan het grootste deel slechts een paar maanden in Nederland werkt (het gaat dan b.v. om seizoensarbeid in de land- en tuinbouw). De onderzoekers verwachten dat de top wordt bereikt in 2010, met zo’n 75.000 tot 90.000 personen. Op korte termijn komen deze migranten met name terecht in de ‘lagere’ beroepen in de land- en tuinbouw, de vleesverwerkende industrie, de transportsector en de uitzendbranche. De onderzoekers verwachten een licht loondrukkend effect, met name voor concurrerende werknemers in deze sectoren, en achten het mogelijk dat “de arbeidsmoraal van met name Poolse arbeidsmigranten rolbepalend wordt” in deze sectoren. De onderzoekers verwachten dat op korte termijn sprake zal zijn van verdringing van ingezetenen en achten het niet uitgesloten dat deze verdringing substantieel zal zijn. Een goede kwantitatieve schatting kunnen zij echter niet maken. Wel concluderen zij dat laag- en middelbaar geschoolde werknemers gevoeliger zijn voor verdringing dan hooggeschoolde werknemers. De onderzoekers stellen vast dat loondienst aantrekkelijker wordt bij invoering van vrij verkeer, maar zij betwijfelen of dit het aantal (schijn)zelfstandigen werkelijk zal terugdringen; wel verwachten zij dat deze groep in omvang toeneemt wanneer de overgangsbepalingen gehandhaafd blijven. Illegale arbeid zal niet verminderen bij handhaving van de overgangsbepalingen en zal (licht) dalen bij vrij verkeer.

Feiten en cijfers: Raad voor Werk en Inkomen
Al jarenlang zeggen werkgevers in de land- en tuinbouwsector moeite te hebben met het werven van voldoende geschikte ingezetenen voor met name oogstwerkzaamheden. Op initiatief van de Raad voor Werk en Inkomen (RWI) zijn er daarom verschillende initiatieven ontplooid om mensen met een uitkering aan de slag te krijgen in de land- en tuinbouw. Na een voorlopige evaluatie (uitgevoerd door TNO Kwaliteit Van Leven) concludeert de RWI dat er in 2005 sprake was van een bescheiden toename inschakeling uitkeringsgerechtigden in seizoenarbeid. Ondanks de nog bescheiden resultaten ziet de RWI voldoende redenen voor betrokken partijen om dergelijke projecten voort te zetten. Dat kan van belang zijn om volledige verdringing van ingezetenen in deze sector bij vrij verkeer per 1 mei 2006 te voorkomen.

Feiten en cijfers: Europese Commissie
Ook de Europese Commissie heeft op 8 februari jl. een rapport gepubliceerd over de instroom van werknemers uit de nieuwe Europese lidstaten. Dit rapport concludeert dat deze instroom over het algemeen kleiner is geweest dan eerder werd verwacht en overwegend positieve gevolgen heeft gehad voor de Europese economie, mede doordat tekorten op nationale arbeidsmarkten erdoor zijn bestreden. In Groot-Brittannië, Ierland en Zweden (waar, zoals gezegd, geen beperkingen gelden), is de werkloosheid gedaald en de economie gegroeid. Het rapport concludeert tevens dat er geen rechtstreeks verband is tussen de omvang van migratiestromen en het al dan niet instellen van overgangsmaatregelen. De omvang van migratiestromen is eerder gerelateerd aan vraag- en aanbod op de arbeidsmarkt. Overgangsmaatregelen zouden echter in sommige landen wel tot ongewenste neveneffecten hebben geleid, zoals illegaliteit en schijnzelfstandigheid.
Europees commissaris Vladimir Spidla adviseert lidstaten op grond van de conclusies uit dit rapport nog eens heel goed na te denken of verlenging van overgangsmaatregelen wel ècht nodig is.

Dienstenrichtlijn en kennismigrantenregeling
De internationale arbeidsmobiliteit binnen Europa wordt niet alleen beïnvloed door de beslissing over het vrij verkeer van werknemers per 1 mei aanstaande, maar ook door de discussies over de Dienstenrichtlijn en over de kennismigrantenregeling. In het debat is het zaak om deze drie nauw met elkaar verbonden onderwerpen – 1 mei, Dienstenrichtlijn en kennismigrantenregeling – goed van elkaar te onderscheiden.

Dienstenrichtlijn
Het Europees parlement heeft op 16 februari – in eerste lezing – ingestemd met een sterk aangepaste versie van de veelbesproken Dienstenrichtlijn, ook wel de Bolkesteinrichtlijn genoemd. Conform het SER-advies uit 2005 over deze richtlijn heeft de nieuwe versie van de richtlijn geen gevolgen voor het arbeidsrecht. De Dienstenrichtlijn kan er in de nieuwe versie dus niet toe leiden dat op bijvoorbeeld Poolse werknemers Poolse arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn.

Kennismigrantenregeling
Het kabinet heeft de Nederlandse kennismigrantenregeling geëvalueerd, met een positief resultaat. Deze regeling maakt het voor kenniswerkers – het gaat dan om werknemers met een inkomen boven de 45000 euro en het gaat voornamelijk om internationale managers, onderzoekers en ICT’ers boven de dertig jaar – mogelijk om via een vereenvoudigde toelatingsprocedure in Nederland te komen werken. Een tewerkstellingsvergunning is niet nodig en binnen twee weken wordt een verblijfsvergunning verstrekt (voor maximaal vijf jaar). Op grond van het succes van de kennismigrantenregeling – de concurrentiekracht van de Nederlandse economie en de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven zouden door de kennismigrantenregeling verbeterd zijn – wil het kabinet nu ook de procedure van migranten die geen kennismigrant zijn, maar die wel passen in het streven naar een dynamische kenniseconomie, versnellen en vereenvoudigen.

Veranderingen in economische situatie, WAGA en notificatieplicht
De economische situatie in Nederland is nu een andere dan enkele jaren geleden. Het lijkt er nu op dat de economie de komende tijd weer voorzichtig zal aantrekken. Daardoor kunnen er meer vacatures ontstaan en wordt de kans op verdringing van ingezetenen door immigranten uit de nieuwe lidstaten kleiner. Ook op het gebied van de wet- en regelgeving zijn er twee veranderingen doorgevoerd: de werkingssfeer van de WAGA – de Wet Arbeidsvoorwaarden Grensoverschrijdende Arbeid – is per 1 januari jl. uitgebreid en de tewerkstellingsvergunning bij grensoverschrijdende dienstverlening is vervangen door een notificatieplicht.

Welke arbeidsvoorwaarden gelden bij grensoverschrijdende arbeid ?
Op grond van de detacheringsregeling en de WAGA, die voortkomt uit Europees recht, zijn altijd de volgende regels van toepassing op grensoverschrijdende arbeid in Nederland ongeacht de duur daarvan, ook wanneer het gaat om een Nederlandse of buitenlandse werknemer in dienst van een buitenlandse werkgever:

a. De civielrechtelijke wettelijke bepalingen (Burgerlijk Wetboek) inzake:

  • vakantie (artikelen7:634 tot en met 642 en 645);
  • arbeidsomstandigheden (artikel 7:658);
  • gelijke behandeling (artikel 7:647 en 648);
  • het ontslagverbod bij zwangerschap(artikel 7:670, lid 2).

b. De volgende publiekrechtelijke arbeidsrechtelijke regels:

  • Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag(WML);
  • Arbeidstijdenwet (ATW);
  • Arbeidsomstandighedenwet (ArboW);
  • Algemene wet gelijke behandeling (AWGB);
  • Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAADI).

c. De algemeenverbindendverklaarde CAO-bepalingen inzake:

  • maximale werktijden en minimale rusttijden;
  • vakantie;
  • loon, inclusief vergoedingen voor overwerk;
  • voorwaarden betreffende uitzending en inlening van arbeidskrachten;
  • arbeidsomstandigheden;
  • beschermende maatregelen voor jongeren en zwangere of pas bevallen werkneemsters;
  • non-discriminatiebepalingen.

Voor 1 januari 2006 gold dit uitsluitend voor de bouwnijverheid. Sinds die datum geldt dit voor alle algemeen verbindend verklaarde CAO's. Ook uitzendkrachten vallen onder deze regeling, nu de CAO Uitzendondernemingen algemeen verbindend is verklaard.
Het zwakke punt van deze constructie is en blijft de handhaving. In de Stichting van de Arbeid onderhandelen werkgevers en werknemers de komende tijd over maatregelen om te komen tot handhaving van de WAGA. Waarschijnlijk is daarbij hulp van de overheid nodig, zodat sociale partners precies te weten kunnen komen wie er in een bepaalde sector werkzaam is. Dit zou bijvoorbeeld geregeld kunnen worden via deels geanonimiseerde inzage achteraf in de loonaangifte bij de Belastingdienst.

Tewerkstellingsvergunning vervangen door notificatieplicht
De tewerkstellingsvergunning bij grensoverschrijdende dienstverlening, die dienstverleners nodig hadden wanneer zij werkten met werknemers waarvoor geen vrij verkeer geldt, is sinds 1 december 2005 vervangen door een notificatieplicht (ofwel een meldingsplicht bij het CWI). Dat moest wel omdat geheel vrij verkeer van dienstverlening wèl een Europese verplichting is. De met notificatie verkregen algemene inzichten worden toegankelijk voor werkgevers- en werknemersorganisaties. Dat kan helpen bij een betere handhaving.

Ons standpunt
Vrij verkeer van werknemers per 1 mei met als voorwaarden betere samenwerking tussen overheid en sociale partners bij de handhaving van CAO-bepalingen voor iedereen en uitbreiding van de Arbeidsinspectie om illegale arbeid tegen te gaan. Dat is in het kort ons standpunt. Vóór invoering van vrij verkeer pleit de mogelijkheid om moeilijk vervulbare vacatures te kunnen vervullen en de daarmee samenhangende economische groei. Vóór invoering van vrij verkeer pleit ook de hoop dat daarmee illegaliteit en schijnzelfstandigheid kunnen worden tegengegaan, zodat concurrentie op arbeidsvoorwaarden wordt vermeden. In principe liggen er op dat vlak geen problemen meer nu de werkingssfeer van de WAGA is uitgebreid tot alle algemeen verbindend verklaarde CAO’s en de Dienstenrichtlijn is aangepast. Maar alles staat of valt met handhaving. Invoering van vrij verkeer moet dan ook gepaard gaan met invoering van betere handhavingmogelijkheden: de overheid moet de sociale partners op de een of andere wijze helpen bij het handhaven van CAO-bepalingen en de capaciteit van de Arbeidsinspectie zal moeten worden uitgebreid. Daarnaast moeten ‘kansarmen’ in sectoren als de bouw, het transport en de land- en tuinbouw worden ondersteund, onder andere door uitvoering van de afspraken over scholing, stageplaatsen en employability die op de Werktop zijn gemaakt.
Vóór invoering van vrij verkeer pleit tenslotte de basisgedachte van een interne Europese markt. Aangezien dienstverlening wèl geheel vrij is, zal nu ook het vrij verkeer van werknemers moeten worden ingevoerd mits aan onze condities is voldaan, zodat de arbeidsverhoudingen in Nederland niet worden ondermijnd. Het gaat dan dus om het totstandbrengen van een zo transparant mogelijke situatie, zodat wordt voorkomen dat niet correct wordt gehandeld : schijnzelfstandigheid moet worden tegengegaan en er moet goede controle worden geregeld.