15 februari 2006

Lokale woonlasten 2005: stijging van 10,1%

Lokale woonlasten 2005: stijging van 10,1%

Voorwoord
De vakcentrale MHP onderzoekt sinds 1995 de ontwikkeling van de lokale lasten die huishoudens opgelegd krijgen, omdat ze huurder en/of eigenaar zijn van een woning. Het doel is vooral om inzicht te krijgen in de koopkrachtgevolgen en de koopkrachtverschillen. Dit is steeds gebeurd op uitdrukkelijk verzoek van de eigen achterban. In de berekeningen is voor de gemeentelijke heffingen onder andere gebruik gemaakt van cijfers van het COELO en voor de waterschappen van het CBS.

Inleiding
De aanslagen van lokale overheden (gemeenten, waterschappen en provincies) spelen een belangrijke (negatieve) rol in de koopkrachtontwikkeling van huishoudens, omdat de stijging jaar op jaar ver boven de inflatie uitkomt. De VNG en het COELO vinden het reëel om de ontwikkeling van de heffingen te vergelijken met de groei van het bruto binnenlands product of met de groei van het beschikbaar inkomen. Als een dergelijke vergelijking voor alle lastenontwikkelingen zou worden gemaakt, betekent dit in feite dat de reële economische groei en de reële inkomensontwikkeling tot stilstand worden gebracht. Verwacht mag worden dat kosten van gemeenten, exclusief grote investeringen, zich in principe mee-ontwikkelen met de inflatie. Derhalve blijft vergelijking met het inflatiecijfer de meest zuivere. De stijging van de lokale woonlasten komt in de afgelopen jaren ruimschoots boven het inflatiecijfer uit.

De beleidsvrijheid van decentrale overheden leidt ook tot verschillen tussen de woonplaatsen onderling. Zo kan een huishouden binnen de ene gemeentegrens het dubbele bedrag aan lokale heffingen kwijt zijn ten opzichte van een huishouden dat in een andere gemeente woont. De consequentie hiervan is dat lokale heffingen bijdragen aan lokale en regionale koopkrachtverschillen.
In deze studie zijn de lokale lasten voor 2005 in beeld gebracht. In 2005 zijn de lokale woonlasten onderhevig aan twee belangrijke wijzigingen. Ten eerste is dit jaar de zogenaamde 'Zalmsnip' afgeschaft. Ten tweede heeft er een hertaxatie van woningen plaatsgevonden. De aanpassing van deze WOZ-waarde heeft een doorwerking naar een aantal gemeentelijke, waterschaps- en rijksbelastingen.

Lokale lasten in verband met wonen
De provincies heffen geen belastingen die een rechtstreeks verband hebben met het gebruik en bezit van woningen. De volgende lokale heffingen hebben hier wel betrekking op, en zijn daarom meegenomen in de berekeningen:

1 gemeenten:
- onroerende zaakbelasting (ozb)
- rioolrechten
- reinigingsheffing / afvalstoffenheffing
- (verminderd met de Zalmsnip of gemeentelijke heffingskorting)

2 waterschappen:
- heffing op waterverontreiniging
- ingezetenenheffing
- omslag gebouwd

Afschaffing Zalmsnip
In 2005 is de afschaffing van de Zalmsnip een belangrijke oorzaak van de stijging van de lokale lasten. De Zalmsnip was bedoeld als een jaarlijkse compensatie voor de hoog opgelopen gemeentelijke woonlasten. De Zalmsnip was van 1998 tot en met 2004 bedoeld als jaarlijkse compensatie voor de hoog opgelopen gemeentelijke woonlasten. De Zalmsnip, een bedrag van € 45,38 per huishouden, werd in mindering gebracht op de gemeentelijke belastingaanslagen. Deze is met ingang van 2005 dus niet meer als "vermindering lokale lasten op grond van art. 229d Gemeentewet" op de aanslag terug te zien. Wel verlenen 42 gemeenten nog op 'eigen kosten' een heffingskorting. In feite is het in die gemeenten een sigaar uit eigen doos, omdat de kosten van die heffingskorting moeten worden opgebracht door dezelfde belastingbetalers.

Consequenties hogere WOZ-waarde (hertaxaties woningen)
De hertaxaties van woningen in verband met de nieuwe WOZ-waarde heeft tot gevolg dat de waarde van woningen in Nederland met gemiddeld 50,1% gestegen (van €134.000 naar €202.000). Dit heeft zijn doorwerking naar diverse belastingen en heffingen.
Het gaat hierbij om de gemeentelijke onroerende zaakbelasting, de waterschapheffingen (zogenaamde 'omslag gebouwd-heffing'), het eigenwoningenforfait voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting (vakantiewoning in box 3). Hoe hoger de vastgestelde WOZ-waarde, hoe meer betaald moet worden aan belastingen en heffingen. Tegelijkertijd zijn echter ook de tarieven, die de WOZ-waarde als grondslag hebben, aangepast om de forse stijging van de WOZ-waarde enigszins te compenseren. Toch betaalt een gemiddeld huishouden per saldo circa €50 meer op jaarbasis aan belastingen als gevolg van de hertaxaties van woningen (gecorrigeerd voor inflatie en afgezien van de vermogensbelasting over een eventuele tweede woning in box 3 van de Inkomstenbelasting).

Gemiddelde lokale woonlasten 2005
In onderstaand overzicht wordt een samenvatting van de gemiddelde uitkomsten per huishouden in Nederland gegeven. De lokale woonlasten zijn per huishouden gemiddeld met 10,1% gestegen. Dit staat in schril contrast tot het verwachte inflatiecijfer van 1,25%.

Lokale lasten verslechteren koopkracht
De stijging van de lokale woonlasten slokt jaarlijks een deel van de koopkracht op. De koopkrachteffecten in de eerste helft van dit decennium zijn aanzienlijk groter dan begin jaren '90. In totaal hebben de lokale woonlasten in de afgelopen 15 jaar een gemiddeld koopkrachtverlies van bijna 3% opgeleverd, waarvan in de afgelopen 5 jaar 1,4% en in 2005 alleen al 0,4%.

In 1998 werd er een zeer geringe koopkrachtstijging als gevolg van de lokale woonlasten gerealiseerd. Dit was te danken aan de invoering van de Zalmsnip. Zeven jaar later zijn de effecten van de afschaffing duidelijk merkbaar. De gemiddelde koopkracht daalt dit jaar met 0,4%. En dit in een tijd dat de koopkracht toch al fors onder druk staat.
Doordat de overgrote meerderheid van gemeenten en waterschappen een kwijtscheldingsbeleid voert voor sociale minima, werkt de stijging van de woonlasten niet tot nauwelijks door in de koopkracht voor deze huishoudens.

Onderlinge verschillen worden groter
De verschillen in lokale lasten tussen de gemeenten heeft ook effecten op de koopkracht van huishoudens. In 2000 was de verhouding tussen de duurste en goedkoopste gemeente om in te wonen 2,16. In 2005 is deze verhouding opgelopen naar 2,28. Hieruit blijkt dat de verschillen niet kleiner zijn geworden. Het gevolg is dat bij een modaal inkomen (ongeveer)

van €30.000 de koopkracht tussen inwoners uit verschillende gemeenten, die verder in dezelfde omstandigheden verkeren, zelfs tot 4% uiteen kan lopen.
De vijf duurste en goedkoopste gemeenten om in te wonen, en waar de koopkracht het meest respectievelijk het minst te lijden heeft van de lokale woonlasten, staan in het volgende overzicht vermeld. Daarin worden de koopkrachtverschillen ten opzichte van het gemiddelde in Nederland weergegeven. Hierbij is geen onderscheid gemaakt naar eenpersoons- en meerpersoonshuishoudens. Dit is in de bijlage wel gedaan voor alle 467 gemeenten in Nederland.

Afschaffing ozb
Het kabinet is van plan om in 2006 het gebruikersdeel van de ozb af te schaffen. Dit is één van de maatregelen die zijn aangekondigd ter compensatie van de negatieve koopkrachteffecten van het nieuwe ziektekostenstelsel. Volgens de MHP zou dit eerder een compensatiemaatregel moeten zijn om de negatieve effecten van de lokale lasten in de afgelopen jaren zelf op te vangen. Het gemiddeld tarief voor het gebruikersdeel van de ozb is in 2005 €1,83. Bij een gemiddelde WOZ-waarde van €202.000 komt dit neer op €163 lastenverlichting per huishouden. Daarmee zouden we terug zijn op het niveau van 2002 (gecorrigeerd voor inflatie) en een koopkrachtverbetering krijgen van gemiddeld 0,75%.

Conclusies
De lokale heffingen zijn lasten, die de afgelopen jaren de koopkracht in negatieve zin hebben beďnvloed. In 2005 is dat extra voelbaar in de portemonnaie van mensen, omdat de afschaffing van de Zalmsnip ertoe bijdraagt dat de aanslag voor gemeentelijke heffingen €45 extra hoger uitvalt. Terecht is er veel aandacht voor de ontwikkeling van de lokale lasten, omdat het netto-inkomen van mensen via de achterdeur wordt aangetast. Afgezet tegen de inflatie kan niet gesteld worden dat de lokale lasten zich beheerst hebben ontwikkeld in de afgelopen jaren. Maar de belangstelling zou zich niet alleen moeten beperken tot de hoogte van de lokale woonlasten. De onderlinge verschillen tussen de gemeenten verdienen die aandacht eigenlijk nog meer. De grote verschillen tussen de gemeenten kunnen er toe leiden dat de gemiddelde koopkracht in de ene gemeente 4% hoger ligt dan in de andere gemeente. Het pleidooi van de VNG om het lokale belastingbeleid uit te breiden zou de verschillen alleen maar groter kunnen maken. Als er nou een grote keuzevrijheid zou bestaan om van de ene gemeente naar de andere gemeente te kunnen verhuizen, zou er marktwerking tussen de gemeenten kunnen ontstaan. Maar bij het huidige tekort aan woningen, zal dit voorlopig een utopie zijn. Er is dus eerder reden om het lokale belastingbeleid aan banden te leggen en weer in handen te geven van de centrale overheid, dan wel bandbreedtes aan te geven waarbinnen de gemeenten belastingen aan burgers mogen opleggen.

Bijlage:

Overzicht: