21 juni 2017

VCP kritisch op nieuwe studie CPB inzake afschaffing doorsneesystematiek

Het afschaffen van de doorsneesystematiek en een overgang naar degressieve opbouw van aanvullend pensioen gaat volgens een nieuwe studie van het CPB ongeveer 60 miljard euro kosten. Dat is een stuk minder dan de 100 miljard waar het CPB vier jaar geleden op uitkwam.

Effecten afhankelijk van rente en spreidingstermijn
De VCP herkent deze bedragen maar wijst erop dat een afschaffing van de doorsneesystematiek en de omvang van de transitielast ontzettend gevoelig is voor aannames over de rente. Terecht wordt opgemerkt in de studie dat als de rente in 2020/2021 weer is opgelopen de transitiekosten ook weer oplopen.

Waarborgen en compensatie
Bij afschaffing van de doorsneesystematiek in uitkeringsovereenkomsten wordt de jaarlijkse pensioenopbouw op iedere leeftijd in lijn gebracht met de premie. Daarmee vervalt de impliciete overdracht van jongere naar oudere werkenden. Voor de VCP staat buiten kijf dat een afschaffing er niet toe mag leiden dat er pech- en gelukgeneraties ontstaan. Indien ertoe wordt besloten de doorsneesystematiek af te schaffen dan dienen er door de overheid wettelijke waarborgen te worden gefaciliteerd met een realistisch tijdspad voor de overgang. Pensioendeelnemers van alle soorten pensioenregelingen moeten gericht gecompenseerd worden, en je wilt geen arbeidsmarktverstoringen, aldus de VCP.

Lange transitieperiode
De VCP wijst er verder op dat de CPB-studie uitgaat van een hele lange transitieperiode tot 2065. De VCP pleitte eerder voor een korte transitieperiode. Wat ertoe zal leiden dat de omvang van de transitielast en de daarmee gemoeide effecten over een kortere periode moeten worden gespreid en daarmee dus hoger of lager zullen uitvallen voor bepaalde generaties dan dat hier wordt becijferd. Voor een gerichte en evenwichtige compensatie bij een kortere transitieperiode is dan ook meer ruimte van de overheid nodig voor bepaalde groepen.