23 juli 2019

SER bepleit verkorting termijnen kiesrecht ondernemingsraden

De SER adviseert minister Koolmees (SZW) in een briefadvies om de termijnen voor actief en passief kiesrecht in de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) voor leden van ondernemingsraden te verkorten. De VCP is positief kritisch. Zij vraagt zich af of de aanpassing van de termijnen tot de gewenste effecten in de praktijk gaat leiden. Daarnaast vindt de VCP de periode om je na 3 maanden kandidaat te kunnen stellen te kort. De SER laat de termijn voor kandidaatstelling nu in het midden.

Bedrijven met meer dan 50 werknemers moeten een OR hebben
Bedrijven die tot tien werknemers in dienst hebben zijn volgens de WOR niet verplicht om medezeggenschap te regelen. Bedrijven met tien tot vijftig werknemers in dienst moeten een personeelsvertegenwoordiging (PVT) instellen als werknemers daar om vragen. Heeft een bedrijf meer dan vijftig werknemers, dan is ze verplicht om een ondernemingsraad (OR) in te stellen. Hiervoor gelden op grond van de Wet minimumnormen omtrent het actief (recht om te stemmen op een OR-lid) en het passief (recht om gekozen te worden) kiesrecht.

De SER adviseert deze termijnen te verkorten en geeft in overweging om dezelfde termijnen te laten gelden voor actief en passief kiesrecht:
• De termijn voor actief kiesrecht in artikel 6 lid 2 WOR zou bijvoorbeeld van zes maanden naar drie maanden kunnen gaan.
• De termijn voor passief kiesrecht in artikel 6 lid 3 WOR zou van 12 maanden naar zes of eveneens drie maanden, kunnen gaan.

VCP positief kritisch op verlagen termijnen – ervaring en kennis essentieel
De VCP is positief kritisch op het verlagen van de termijnen en vindt het goed dat er drempels blijven omwille van behoud van continuïteit en ervaring. De VCP vraagt zich of het verlagen van de termijnen in de WOR in de praktijk tot veranderingen gaat leiden en meer mensen met bijvoorbeeld een tijdelijk contract zich verkiesbaar zullen gaan stellen voor de OR. Het animo onder jongeren en mensen met een tijdelijk contract is immers laag om actief te gaan participeren in een OR. Over het aanpassen van de minimumtermijn voor actief kiesrecht naar 3 maanden is de VCP positief. Juist om ook meer betrokkenheid te krijgen van mensen met een contract voor bepaalde tijd, waaronder jongeren, die vaker een tijdelijk contract hebben. Bij het passief kiesrecht (gekozen kunnen worden) is de VCP een voorstander van een minimumtermijn van 6 maanden en niet drie maanden in de WOR. De SER laat dit nu in het midden. Een OR-kandidaat moet immers de nodige kennis en ervaring hebben opgedaan in het bedrijf en goed te weten wat er op de werkvloer speelt. Ook moet de kandidaat bekendheid en draagvlak vergaren onder de overige werknemers. De VCP vindt hiervoor 3 maanden erg kort. Op verzoek van de VCP wordt dan ook de oproep gedaan aan de minister indien hij de wijzigingen overneemt, de aangepaste termijnen en effecten in de praktijk te evalueren.

Naleving loopt terug
De naleving van de WOR loopt al jaren terug en jongeren en mensen met een contract voor bepaalde tijd zijn vaak ondervertegenwoordigd in de OR. Daarnaast blijkt dat de huidige wettelijke minimumtermijnen meer als norm zijn gaan gelden in de praktijk. Dit zijn enkele redenen van de SER om het verkorten van de termijnen voor actief (mogen stemmen op een OR-kandidaat) en passief kiesrecht (verkozen kunnen worden in de OR) te verkorten.

Over dit briefadvies
Dit advies is opgesteld naar aanleiding van een brief van minister Koolmees van 8 oktober 2018 aan de Commissie Bevordering Medezeggenschap van de SER. Daarin verzocht hij onder meer aan te geven hoe de SER aankijkt tegen de geldende termijnen voor actief en passief kiesrecht in de WOR. Zijn overweging daarbij was dat de huidige wettelijke minimumtermijnen in de praktijk mogelijk als norm zijn gaan gelden.